De zak van Colmar

De zak van Colmar werd door de Duitsers in stand gehouden om van daaruit de herovering van de Elzas te beginnen. Ze voerden hiervoor dan ook verse troepen aan. De Fransen hadden te weinig en te vermoeide troepen en ze moesten een verdedigingslijn opzetten in plaats van door te stoten naar Colmar.

Op 20 januari 1945 begon de actie om eindelijk het gebied rond Colmar te veroveren en daarbij zo min mogelijk Duitsers te laten ontsnappen. Door de zware tegenstand van de Duitsers en door de sneeuwstormen bereikten de Fransen de eerste dag niet de gestelde doelen. De tweede dag was een groot succes, maar de derde dag zetten de Duitsers een tegenaanval in. Hierna waren de gevechten zeer fel en moest dorp voor dorp worden veroverd.
De Duitsers hadden echter een tekort aan materiaal. Alles wat ze hadden aan artillerie en infanterie was opgesteld. Maar ze mochten zich niet terug trekken van Hitler.
Er werd vanuit het noorden en het zuiden aangevallen om zo aan beide kanten een wig te slaan tussen de Duitsers en de Rijn, waardoor terugtrekken onmogelijk zou worden. De Duitsers kregen op 27 januari toestemming om over de Rijn terug te trekken en al het gebied in de Elzas prijs te geven.
Op 9 februari bliezen de Duitsers bij Chalampé de laatste brug over de Rijn in dit gebied dat ze nog hadden, op. 16.000 Duitsers waren krijgsgevangen gemaakt en 20.000 gedood maar 50.000 hadden er kunnen ontkomen.